Met Menno Schilthuizen op citysafari in Leiden

S

chijtende rotduiven, hooikoortsboosdoeners als de paardenbloem en de ‘iieee! Schat, haal jij ‘m even weg?’- spin. We waarderen ze niet altijd, die stadsmormels waar we dagelijks mee te maken krijgen. Stiekem zijn ze ontzettend interessant en rete-vindingrijk. De natuur blijkt zich hier en daar aan te passen aan het stadse leven. Een poosje geleden ging ik dan ook met Menno Schilthuizen, evolutiebioloog en onderzoeker bij Naturalis, mee op citysafari in Leiden om meer te weten te komen over de snelle evolutie van dieren en planten in de stad.

De Big Five van Leiden

Bij het verzamelpunt op het Stadhuisplein loop ik naar het al wachtende safari-groepje toe. Ik stel me netjes voor en word direct door Menno als lieftallige assistente aangewezen. ‘Wil je deze even vasthouden?’ Ik krijg vier grijs uitgebloeide pluizebollen in mijn hand. ‘Paardebloemen!’ gil ik van blijdschap, en parmantig knik ik de groep toe: ik herken al iets, nu jullie nog. Mijn kinderlijke competitiedrang wordt door de rest van de groep lieflijk genegeerd. We gaan namelijk beginnen! Op zoek naar de Big Five van Leiden en de evolutie van de natuur in de stad.

Duif

Een van de meest voorkomende dieren in de stad is natuurlijk de stadsduif. ‘Er is een reden dat duiven graag op het randje van gebouwen zitten’, vertelt Menno. ‘Ze stammen namelijk af van de rotsduif, en op deze manier creëren ze voor zichzelf kunstmatige rotskliffen.’

Een nog indrukwekkender weetje is dat duiven in de stad hun verenpracht hebben aangepast in vergelijking met hun soortgenoten op het platteland. Let maar op, je hebt donkergrijze en lichtgrijze duiven. De stad is een vervuilde plek door gebruik van zware metalen als zink. De donkere veren nemen de schadelijke stoffen op, zodat het niet in het lichaam van het diertje komt. Zo ontgiften ze zich als het ware. Een soort detox-verenkleed dus.

Ik knik respectvol naar de duiven op de Koornbrug. Toch niet zo koerend dom, die beestjes.

dsc_0498-900x600

Brugspin

De citysafari-groep gruwelt als blijkt dat we op zoek zijn naar de meest urbane spin. We bekijken de brugspin – of eigenlijk bekijken we het web, want de spin zelf is nergens te bekennen. Logisch, want het is een nachtdier. Maar nou komt het: waar spinnen zich van nature graag ophouden in donkere hoekjes, blijkt dat de brugspin zich juist aangetrokken voelt tot kunstlicht. Hun webben spinnen ze rondom tl-buizen bij bruggen en woonboten. Het lijkt haast onnatuurlijk gedrag, maar Menno legt uit: ‘Het dieet van de brugspin bestaat uit motten en vliegen, die vaak bij kunstlicht rondfladderen. Brugspinnen hebben zich zo geëvolueerd dat ze met hun webben in het licht gaan zitten, waar ze tot vier keer meer prooi vangen dan hun soortgenoten buiten de stad die hun web in donkere ruimtes spinnen.’

Kauw

Het nature-versus-nurture-debat, daar kunnen we tijdens de safari niet omheen. Kijk bijvoorbeeld naar de kauw. Zo blijkt uit een onderzoek waarin werd gemeten tot welke afstand je de vogel kunt benaderen tot hij wegvliegt, dat ze in de stad minder schuw zijn dan daarbuiten. ‘Er is gemeten dat vogels op het platteland wegvliegen bij pakweg 30 meter, terwijl vogels in de stad pas onrustig worden bij een meter of 8.’ Is dat gewenning of zit er evolutie in?

De kauw is in ieder geval een nieuwsgierig beestje, wat helpt bij het overleven in de stad. Zo blijkt dat ze een groter probleemoplossend vermogen hebben dan hun plattelanders, omdat ze in de drukke stad inventiever moeten zijn om aan voedsel te komen. Zo maken ze met hun snavel met gemak doosjes of zakjes open om te kunnen snaaien.

menno2-900-2

Paardenbloem

Mijn zweetklauwtjes omklemmen nog steeds braaf de paardenbloemen. Of wat ervan over is. De pluizige bolletjes hebben zich als de broodkruimels van Hans en Grietje achter mij een vervlogen weg gevormd. Gelukkig vindt Menno nog een groeiend exemplaar dat zich een weg baant tussen de straatstenen. ‘De Vleugelstreepzaad, die erg lijkt op de paardenbloem’ verbetert Menno subtiel mijn vergissing, ‘heeft zich ook aan de stad aangepast.’ Waar de pluizige parachuutjes op het platteland zo ver mogelijk proberen te vliegen om zich ergens anders te nestelen, dalen de stadsgenootjes vrijwel meteen na het opstijgen. De stad bestaat voornamelijk uit asfalt en straatstenen. De gok om dichtbij de moederplant te blijven, die hier immers ook heeft kunnen aarden, biedt een grotere overlevingskans. Daarom zijn de zaadjes van de stadse paarde- ehh Vleugelstreepzaad een stuk korter en zwaarder. ‘Ontstaat er dan geen inteelt?’ grapt iemand uit de groep. Ach ja, het blijkt minder problematisch dan helemaal niet ontkiemen.

slak-900x600

Tuinslak

Als laatste van de Big Five komt natuurlijk de sloomste van het stel: de slak. Aangekomen bij ons laatste stoppunt heeft Menno al een geelzwart-gestreepte huisslak van een muur heeft geplukt. Het is even zoeken, maar dan heeft hij ook een egaal bruingekleurde slak in een plantenperkje gevonden. ‘Twee verschillende looks, maar toch echt dezelfde soort,’ volgens Menno. In de stad zie je vooral de lichtgekleurde slak. De stad vormt een groot warmte-eiland. Met een lichter huisje kan een slak de warmtehuishouding beter regelen: een lichtgekleurd huisje weerkaatst de zon beter en biedt zo meer verkoeling.

Naast verkoeling biedt het huisje nog een andere uitkomst: de slak kan zich veilig terugtrekken als er dreiging is. Een van Menno’s studentes doet nu onderzoek naar de ‘brutaliteit’ onder slakken. Met een kwastje kietelt ze – ik herhaal – kíetelt ze de slak tussen de voelsprieten om te zien hoe snel het diertje zich terugtrekt in zijn huisje. De stad is nogal een luidruchtige omgeving, waarin de slak zich om de klipklap in zijn huisje bevindt, in plaats van op zoek te gaan naar voedsel. Dat is moeilijk overleven. Dus past de slak zich aan en kruipt hij langzaam uit zijn schulp? De evolutietijd zal het ons leren.

Big Five, Six, Seven, Eight

Terugwandelend naar het startpunt van onze safari vertelt Menno nog honderduit over de meerkoet die plastic en bierblikjes als nestmateriaal gebruikt, peuken die in de nesten van huisvinken een natuurlijke insecticide vormen en de anabolen-groeispurt van het Leidse zinkviooltje. De Big Five verandert aan het eind dus in een Big Six, Big Seven, Big Eight…

Heb jij de Leidse Big ‘zoveel’ al gespot? Wat is jouw favoriete stadsmormel?

Leave a Comment

Start typing and press Enter to search

USE-IT map Leiden